Je hebt wel wat over voor je kinderen, en zeker - zeg dit niet tegen mijn veertienjarige dochter die volleybal speelt - voor je zoon als die bij de provinciale U12 in de spits voetbalt. Voor je het weet zit je in een bus op weg naar een UEFA toernooi in Nederland omdat de coach ‘wel wat hulp kon gebruiken’.

Het was, nog voor Football Leaks zou uitbreken, de ‘UEFA’ in de invitatie die me had overtuigd om twee dagen vrij te nemen ter ondersteuning van voetballende jeugd, mee aangemoedigd door mijn leerkrachten-DNA dat weleens wil opspelen. Begeleiding, engagement, waarden, allemaal goed, maar hoe zeg je als voetbalvader nee tegen die machtige vierletter-afkorting die klinkt als de Champions League symfonie?

Wat me finaal over de lijn had getrokken, was dat het een officieel fairplay toernooi zou zijn, weliswaar met klassement, maar zonder rode of gele kaarten. Noem me naïef, ik vind het hartverwarmend dat Infantino en zijn officiële voetbal-orgaan het mooiste spel ter wereld aan de basis nog ter harte nemen.

Maar een rit van ruim anderhalf uur in een bus vol voetbaltoekomst had mijn engagement al een eerste trap verkocht. Mijn BOSE hoofdtelefoon met noise cancellation werkte misschien tegen uitgelaten toeristen en gekken op de trein tussen Antwerpen en Amsterdam, hij was niet bestand tegen vier bluetooth speakers, tientallen gsm’s met blèrende muziek en daar bovenuit de gillende stemmen van jongetjes die nog jongens moesten worden. Terwijl ik mijn boek weg stopte - lezen werd me van bij de eerste kilometer onmogelijk gemaakt, dat was snel duidelijk - vroeg ik me af hoe we hier waren terechtgekomen.

***

Mijn U12 had zijn provinciale tests vorige zomer met glans afgelegd en daarna een mat seizoen gespeeld, wat hem vooral matchtijd op de bank had opgeleverd. 

‘Ja, zo gaat dat met kinderen’, bleef de coach me zeggen.
En: ‘Komt wel goed. Geef het wat tijd.’

Maar zijn spel bleef voortkabbelen en ik stond niet elke zaterdag in weer en wind langs de lijn om kinderen te zien voetballen die niet mijn zoon waren. Terugleggen, ja, kaatsen, bij zijn invalbeurten, efficiënt allemaal, zuiver, maar zonder diepgang. Hij had lood in de benen en mist in zijn hoofd, leek te veel na te denken, wat hem traag en voorspelbaar maakte. 

Zijn frustratie en boosheid tussen de lijnen nam hij mee naar huis. Mokken, zuchten, als er wat moest. Uitbarsten. Elke poging tot gesprek eindigde in een Kungfu-wijsheid die in ‘The Matrix’ of tijdens een interview in de mixed zone hout mocht snijden, in de realiteit haalde ze mijn kunnen als vader en voetbal-ouder onderuit.

‘Je wil te graag.’
‘Geniet er gewoon van.’ Van die gewoon had ik meteen spijt.
Of erger, half ernstig, half grappend: ‘Meer Hazard, minder Lukaku.’

Daarna blokte hij verder elke poging tot gesprek. Gelijk had hij. Alleen hij kon dit oplossen door te blijven trainen, week na week, zoals een writer’s block alleen wordt weggehouwen met de uren van niet-schrijven die je voor je scherm doorbrengt. 

Pas onder extreme druk wist hij zijn vloek te verbreken. In de match die zijn team moest winnen om de eerste plaats in het klassement over te nemen, mocht hij erin op het einde. Zijn invalbeurt was verre van een tactische zet, eerder een wanhoopsdaad, want in de loop van de tweede helft had zijn team het fysiek tegen de anderen moeten afleggen. In de laatste minuut echter spatte een schot op onze dwarsligger uiteen, kwam aan de grote baklijn in de voeten terecht van onze centrale middenvelder, die zonder kijken wegkeerde.

Het was een wanhoopsbal, een soort rugby kick, maar wel een die terechtkwam bij mijn invallende spits, die, om te kunnen blijven lopen, maar één optie had: de bal na de stuit opvangen met de hak. Met die ene beweging, zag ik, werd hij weer net zo licht als vroeger, en ik weet nog steeds niet waarom zijn speelsheid net op dat moment weer het oppervlak bereikte. 

‘Ik deed het gewoon,’ zou hij na de match antwoorden, ‘dacht niet na.’

De Kungfu-meester aan de lijn zou minzaam hebben geknikt. Met mijn glimlach had de club op dat moment het hele veld kunnen verlichten, want met die vanuit de hemel neergedaalde tik van zijn rechter hiel wipte hij de bal over de verdedigende middenvelder heen en nam hem mee op zijn dij, bleef op volle snelheid.

De laatste man, moe van een hele wedstrijd, kon alleen nog zijn hand uitsteken, plantte die vol in het gezicht van de aanstormende spits, die er niets leek van te merken en hem makkelijk passeerde om na een korte sprint, verlost, de keeper met een eenvoudige overstap te vroeg neer te laten gaan. Kalmte bewaard. Korte hoek binnen. Eén-nul. Eerste plaats in het klassement. Waardoor we ons in een bus richting Nederland bevonden, klaar om het op te nemen tegen teams uit Denemarken, Duitsland, Frankrijk en het gastland zelf.

***


Geen slecht woord over de hartelijke ontvangst in Nederland, de strakke organisatie, de te lange openingsceremonie met de speech van de burgemeester die ik niet verstond hoewel we nog geen twee uren van elkaar af woonden, de UEFA fairplay medailles die we de eerste dag kregen of de faciliteiten tout court, maar iemand had de krijter van de plaatselijke baseballclub toch kunnen uitleggen dat een voetbalterrein een rechthoek is en geen trapezium.

Ik dacht nog dat het aan mijn slaapkop en de slappe koffie lag toen ik ’s ochtends als een van de eersten ons veld inspecteerde, een set bidons in elke hand. De doelen leken niet recht tegenover elkaar te staan, maar ik zag wel meer dingen die er niet waren, paste de realiteit wel vaker aan aan de wereld in mijn hoofd, had dus niet verder gekeken. De hoeken van de witte lijnen aan de cornervlag lieten weinig aan de verbeelding over. Negentig graden maakten ze niet. Eerder zeventig, met wat goede wil, en honderdentien aan de andere vlag.

Drie kwartier voor de eerste match van de dag én een strak schema erna viel er weinig aan te doen, zei de toernooileiding, en het was voor alle teams toch hetzelfde? In naam van het jeugdvoetbal, mijn hoofd in de stralende ochtendzon, verdrong ik de gedachte dat UEFA meer geleek op een badge, een merk, dat je moest kopen, dan een kwaliteitslabel dat je zekere standaarden oplegde.

Pas na de middagpauze kreeg ons veld de juiste lijnen en geleek het voetbal al een pak minder op hoe doorgaans in de tweede kolom van de Jupiler Pro League wordt gespeeld. Lachen was het wel, met prima passes en voorzetten die telkens weer buiten gingen.

***

De laatste match van toernooidag één speelden we tegen een Frans team dat vooraf bijzonder vriendelijk handen had geschud, helemaal volgens de fairplay voorschriften. Dat ze bij Parijs woonden, tevreden waren met de organisatie en dat ze tot nog toe hun drie matchen van de dag hadden gewonnen, leerde ik bij de korte kennismaking. De grote, fervente aanhang van zeker vijftig supporters die ruim zeshonderd kilometer waren meegereisd was me opgevallen, maar leek me niet bijzonder fanatiek.

Dat veranderde toen ze na hun eerste goal met zijn allen het veld kwamen opgestormd. De ref had vijf minuten nodig om ze weer aan de juiste kant van de lijnen te krijgen en al had hij Frans gekund, hij had in zijn eentje de meute nog niet duidelijk kunnen maken dat dat niet hoorde. Was het opnieuw een van de vele uitwerkingen die het UEFA-logo had? Of ze namen het toernooi te ernstig, of net helemaal niet, maar de ref zou snel andere zorgen aan zijn hoofd hebben. En dat in de match waarop mijn elfjarige van bij de aftrap in de spits stond.

Ik had nog nooit een perfecte simultane uitvoering van een dubbele schaar gezien. Maar zo’n acht minuten ver in het eerste kwart kreeg hij zijn eerste echte goede bal aangespeeld. In zijn aanname had hij zich om de centrale verdediger gedraaid, die nog even, tevergeefs, aan zijn shirt had willen hangen, zijn graaiende hand in de lucht liet weinig van zijn plannen aan de verbeelding over, waarop onze spits met de bal aan de voet zijn sprint op doel inzette.

Vrije baan, zo leek het even, op weg naar de gelijkmaker, tot de twee backs hun flanken verlieten, voor een blok gingen en hem van beide zijden naderden in een trechterbeweging. Daarop speelde hij de bal twee meter voor zich uit en versnelde. Ik zag hem aan de grote baklijn de keeper verrassen met een vroeg schot, binnenkant voet, dat met een krul in de rechterbovenhoek zou belanden, maar de twee backs zagen de bal allang niet meer en gingen samen voor de man, namen als in waterballet tegelijkertijd zijn benen in een viervoudige schaar.

Zo werd hij met sierlijk efficiënte precisie roerloos de grond in gewerkt, gesneuveld als een soldaat die met een fluitsignaal uit de loopgraven was gejaagd maar nog geen meter ver was gekomen, meteen geraakt, beide armen hopeloos in de lucht, niet begrijpend wat hem tegenhield, waarom zijn benen niet verder konden en zijn hoofd en lichaam vanuit zijn momentum hard in het gras terechtkwamen.  

De spits was opnieuw alleen maar mijn zoon. Ik keek naar de coaches van de tegenstander die knikten naar hun backs, die elkaar een high five gaven en zonder een blik of gebaar hun tegenspeler lieten liggen. Ik keek naar de ref die hard had geblazen, maar én geen kaarten kon geven tijdens dit toernooi dat was uitgegaan van goede wil én geen Frans sprak om de spelers bij zich te kunnen roepen. Ik keek naar de aanhang van de Franse ploeg die stond te joelen. En ik keek naar onze coach, op zoek naar iemand die hierover dacht zoals ik.

‘Dit is wel hard’, mompelde hij.

Mijn eerste gedachte: beenbreuk, spoeddienst en naar huis. Dit was het dan wel, toch? Maar hij bewoog, zette zich en trok zijn sokken op. Wreef zijn ogen uit. Kwam overeind. Knikte toen de ref checkte of het ging en liep mankend naar de muur die zich al had opgesteld voor de vrije trap. Nog voor die was genomen werd hij met een elleboog in de ribben opnieuw tegen de grond gewerkt. De bal waaide ver over.

Na drie zware overtredingen in de volgende minuten hadden onze spelers het wel door. Dit waren geen onvrijwillige ongelukken, dit was een doordacht systeem, meedogenloos en onverwoestbaar, tenzij je het spel meespeelde en er een nog hardere versie tegenover kon zetten. Als ploeg die hoogstens even aan een truitje ging hangen en dat al op het randje spelen vond, wisten ze niet beter dan uit zelfbehoud niet meer in duel te gaan. Onze spelers hielden zich in en speelden de bal zo snel mogelijk weer af naar wie ook vrij durfde te staan.

Het maakte van hun spel een aandoenlijke vorm van een soort korfbal, waarmee de achterlijn en het middenveld nog weg kwamen, maar waarvoor de aanvallers, die nu eenzame aanspeelpunten waren geworden, de prijs betaalden. Of ze de bal wilden aannemen om terug te kaatsen, dribbelend doorheen de linies probeerden te breken of een diepe pass achterna gingen, balbezit of niet, hun acties stierven telkens weer een snelle dood. Arm om de hals, trap op de kuit of zuiver natrappen, knie in de dij, hangen aan de schouder, elleboog in de zij, hand in het gezicht, ik kreeg een staalkaart te zien van overtredingen waarmee je in betaald voetbal een Youtube-kanaal aan cartes jaunes et rouges zou kunnen vullen. Reclame-inkomsten gegarandeerd.

***

Vraag. Wat maakt dat je met kinderen deze versie van voetbal speelt? Dat je die week na week traint, dat je in die jonge hoofden en lijven slijpt dat je de bal sowieso hebt als je voor de man gaat?  Hoe verloopt die Franse competitie dan? Hoeveel kaarten pakken ze elke maand? Mijn woede werd gaandeweg verbazing, en verbouwereerd keek ik naar een planeet waar andere regels golden van wat voetbal volgens mij moest zijn, een spel dat rond goede intenties draait. Mijn nieuwsgierigheid maakte dat ik na de zoveelste overtreding een van de coaches aansprak en vroeg of ze geen probleem zagen.

‘Problème?’ antwoordde hij zonder me aan te kijken. ‘L'arbitre a sifflé quand-même?’

Het Franse team had een veldbezetting en een technische balbeheersing die ver boven ons provinciale niveau uitstaken. Wat deden ze hier, kwamen vast van een nationale competitie, toch? Twee goals voor, drie goals, maar de spelertjes gaven niet af en gingen verbeten op hun elan door, snoeihard op de man in elk duel. 

Waren ze woedend geweest nog voor de match was begonnen? Emmerdeurs? Couilles? Cons? Fils de putes? Trous du cul? Geen idee hoe vandaag door elfjarige Fransen wordt gescholden. (Op Vlaamse pleintjes blijkt het mannelijke geslacht nog steeds in zwang, veel meer dan loser, zo leerde ik van de zoon die op het buurtpleintje had opgepikt dat spelers elkaar los van leeftijd systematisch piet en pieten noemden, zoals in ‘nee, deze bal is niet van mij, maar van deze dikke piet hier’, wat in AN ‘piemel’ betekent, maar in Vlaanderen toch én sympathieker én vuiler bekt.) Waren ze altijd woedend, ook buiten de lijnen, naast het voetbal?

De ploeg uit de Parijse banlieu speelde als bezeten, en ik beeldde me veel hardere scheldwoorden in, uitgeschreeuwd met elke pas, met elke schop en duw en elleboogstoot. Dat we een stel verwende luxe voetballertjes waren. Dat jouer au foot geen hobby was, wat dachten we wel. Dat we balbezit niet verdienden als we er een vrijblijvend spelletje van zouden maken. Wat, plezier? Hier een voet op jouw voet als je wil springen. Die bal hoort ons toe, verwende nesten, daar, mijn elleboog. Alsof hun leven ervan afhing. Alsof ze voetballend hun levens wilden afleggen, zichzelf ergens anders heen speelden. 

Alleen, ze vloekten niet. Geen fout woord kwam eruit. Ze speelden staalhard op de man en hielden in de strakste discipline hun mond, emoties dichtgekurkt, voerden exact uit wat hen was geleerd door een coach die slechts af en toe ‘Bien joué’ moest roepen. 

Netjes gespeeld.

En onze spits? Na elke aanslag bleef hij langer liggen alvorens weer overeind te komen. Een keer was hij naar zijn coach gestapt, geen idee wat ze bespraken, had daarop zijn positie weer ingenomen. Waren dat tranen op zijn wangen?

Toen onze mid na de zoveelste elleboogstoot ‘fuck you’ schreeuwde, gebaarden de Franse coaches naar de ref dat dergelijk gedrag niet hoorde op een voetbalveld en dat die tegenstander eraf moest, wat de ref na één zijwaartse blik verder negeerde.

In het laatste kwart kreeg onze rechtsbuiten een tackle langs achteren te verwerken door twee strak gestrekte benen die bij een jongetje hoorden dat de krullenbol van David Luiz droeg. Onze man op rechts had de bal nog niet, had zich, dacht hij, slim verscholen tegen de zijlijn om zich plots aanspeelbaar te maken, maar zou de bal die zijn richting uit kwam niet meer aannemen. In de plaats daarvan kreeg hij, in stereo, studs op zijn achillespezen te verwerken en moest na minutenlange verzorging van het veld worden gedragen.

Daarop stapte de ref op de coaches af en maakte hen in Nederlands Engels duidelijk dat David Luiz junior eraf moest. De match zou niet doorgaan met hem nog tussen de lijnen, wat het equivalent van een rode kaart moest zijn. Na lang discussiëren gaven de Franse coaches toe, maar stelden junior na vijf minuten gewoon weer op. De ref had het niet opgemerkt, of hij had het wel gezien maar had de hoop opgegeven om nog enige impact op het spelverloop te hebben en floot fout na fout na fout. Zonder blessuretijd maakte hij een einde aan een veldslag die eindigde op nul vier winst voor het team uit de Parijse rand.

Na het laatste fluitsignaal had mijn spits zich in het gras gezet en geduldig zijn veters losgemaakt, immuun voor de schouderklopjes en opmerkingen van zijn medespelers. Ook de twee backs die met hun schaar de toon hadden gezet en hem koste wat kost hadden afgestopt, kwamen professioneel handjes schudden, maar ze bestonden niet voor hem, waarop ze zich lachend omkeerden. Hij kwam overeind en verliet hinkend het veld.

Ik ging op hem af, zag dat hij ook de poging tot gesprek van de coach negeerde, waarna hij ook mij voorbij liep en me zonder een blik zijn rugnummer toonde. Gooide zijn schoenen in het gras. Ik raapte ze op.

Nike Mercurials. Kindermaat.
Vinnig, levendig, onvoorspelbaar
Mercurial.

Affiches in de sportwinkel mogen schoenen verkopen met de belofte van snelheid, behendigheid of techniek, met de grootste onzin. Met onze schoenen toren je boven alle andere uit, word je onaantastbaar. Maar geen afbeelding van De Bruyne of Lewandowski boven een display vertelt kinderen hoe het is om neergehaald te worden op een manier waarvoor je op straat een PV en een strafblad zou krijgen.

Geweld als tactiek, verpakt als sport, the beautiful game. Affiches in de winkel waarop Sergio Ramos inhakt op een onvermoedende achillespees, die zouden een pak eerlijker zijn, maar ik moet de eerste nog zien verschijnen.

Zo kwam ik op dit idee voor een nieuwe campagne: we nemen een foto van, bijvoorbeeld, Costa’s elleboog in de keel van Pepe, vlak voor zijn Spaanse gelijkmaker op het recente WK, en daarboven de kop ‘Are you in or out?’, ‘Win or lose’ of ‘Got what it takes?’, maar toen lanceerde Nike op Instagram haar verfrissende World Cup campagne met Hazard die eruitzag alsof hij er een rondje UFC op had zitten. Daarnaast de woorden: Push him. Kick him. Elbow him. Foul him. You can’t stop him. Eden, het schoolvoorbeeld van de immer vrolijke, speelse intouchable. Inspiratie voor al die voetballertjes die dromen van een leven aan het front.

Na onze laatste match de volgden dag passeerden we een veld waar drie Duitse jongens elk op een handdoek languit in het gras lagen te kronkelen. Eén verzorger probeerde ze alledrie te kalmeren en spoot kwistig met Reflex spray op afwisselend een jonge dij, een zij en een knie. Kompressen overal. De trainer zat gehurkt bij het jankende drietal, radeloos. 

‘Paris?’ gokte ik.

Hij keek op en schudde zijn hoofd, dat nog altijd niet leek te vatten wat zijn ploeg zonet overkomen was.

‘Aber haben Sie gewonnen?’
‘Gewonnen, ja. Aber.’

De Fransen werden dezelfde dag nog uit het klassement gezet. Een rode kaart voor de hele équipe, supporters incluis. Het zal niet geholpen hebben dat ze zich bij de toernooidirectie hadden beklaagd over de houding van de aanhang van hun tegenstanders, die ze negatief en onsportief hadden gevonden. Iedereen bleek zich tegen hen te keren.

Toen we op ons domein waren aangekomen, was hun bus al weg. Ik had verwacht hier en daar een UEFA medaille te vinden in de buurt van een vuilnisbak of ergens op de grond, maar zag ze niet. Misschien had die afkorting UEFA toch nog voldoende aantrekkingskracht als belofte van een leven van voetbal, of als herinnering aan het toernooi waarin de hele wereld zich tegen hen had gekeerd.

***

Pas later die avond, lang na het eten, zou hij opnieuw met me praten. Ik las een boek van een schrijfster die een wereld verzon waarin magie en toverkunst echt bestonden en zo de slag bij Waterloo hadden beslist, lag buiten, in het gras, was weg van de wereld en plots stond hij voor mij.

‘Waarom heb je mij laten spelen?’

Ik keek omhoog. Probeerde niet naar de kneuzingen op zijn benen te kijken, duidelijk zichtbaar onder zijn shorts. Twee tenen aan zijn linkervoet waren donkerrood en blauw. Op die plek had een voet gestaan. Getrapt, vast. Gestampt. Gestempeld. Groeten uit Parijs.

Die vraag had ik niet verwacht. Wel: waarom spelen mensen zo? Waarom doen mensen gemeen? Vals? Doen ze alles om te winnen? Die naïviteit had hij al afgelegd. Zijn vraag ging over mijn rol. Recht op de man af. Wat heb ik aan je als je me niet beschermt. Als je tekortschiet. Er niet voor me bent wanneer ik je nodig heb.

Ik wilde tijd kopen. ‘Zet je even.’
Handen in de zakken. Hij bleef staan.

Door mijn hoofd schoot de dooddoener ‘Dat is voetbal.’ En de nuance als correctie. ‘Dat is ook voetbal. Ook.’ Maar ik wist dat ik beter moest doen. Zocht een variant op het cliché dat je in een team speelt.

‘Je laat elkaar niet in de steek.’
‘Wat jij dus wel deed. Met mij.’
‘Ik stond langs de lijn.’

Vond hij duidelijk vanzelfsprekend.

‘En ik bedoelde niet jij alleen, maar jouw team. Wisselen, eraf gaan, dat is je ploegmaats in de steek laten. Iedereen krijgt trappen. Samen winnen, samen ten onder, samen afzien.’

De Kungfu-meester vouwde de armen en boog eerbiedig. Hij zei niets meer, draaide zich om, verdween.

‘Als je dat niet wil, kun je maar beter nu ophouden met voetballen. Ga je nooit naar nationale. Stoppen we ermee. Klootzakken kom je overal tegen. Maar als we op het einde van de dag in de spiegel kijken, zijn wij liever Kroatië dan Frankrijk.’ Maar dat hield ik voor me.

***


‘Dit was het dan’, zei ik onnozel. ‘Je eerste provseizoen.’ Ik klonk veel te opgewekt, was blij dat we naar huis konden met weken zonder voetbal in het vooruitzicht. Zo blij dat ik voor hem uit fietste. Ergens halverwege liet ik me inhalen en vroeg wat hij ervan had gevonden, dom van me, alsof je maanden van voetbal in een antwoord kon vatten, wilde eigenlijk weten of hij zou doorgaan op dit niveau, na de zwaardere trainingen, zijn tijd als reserve, en na ons UEFA avontuur.

De overige matchen van het seizoen hadden ze op hun sokken gewonnen. Ze waren gegroeid, stuk voor stuk, stonden voor de aftrap op een rij met hun gezichten strak op de aanhang gericht. Zelden nog een glimlach te zien. Hun schouders leken breder, hun ruggen rechter, hun blik had wat meer Parijs in zich. Voetbal was wat meer oorlog geworden.

Hoe harder je het spelletje speelde, hoe minder pijn je kreeg. Hoe meer je uitging van vuil spel door de tegenstander, hoe minder verrast je kon worden. Het waren geen jongetjes meer aan de bal, het waren jongens, maakten zich groot, gebruikten hun hele lichaam, breder, armen hoger, ook voor ze de bal hadden. Ze hielden zich niet meer in en gingen voluit in elk duel, niet om hun tegenstander te raken, maar om de bal te veroveren, ook al kreeg de voet van de tegenstrever een stevige tik mee. De andere ploegen voelden instinctief na de eerste minuten dat dit niet dezelfde ploeg was als uit de eerste seizoenshelft en speelden met meer respect, wat bijna altijd tot verlies leidt.

En hij, hij leek bevrijd. Speelde met de Franse ploeg in zijn lijf, waarbij elke tegenstander verbleekte. De voetbalfan in me was trots, mijn voetbalbeest schreeuwde van plezier bij elke geslaagde actie, elke verdediger die van de bal werd gezet, elk fysiek gewonnen duel. De vader in me verafschuwde het smeerlapje in hem dat tussen de lijnen naar boven kwam, zag hoe lelijk het venijn was waarmee hij reageerde wanneer hij de bal verloor, het randje van het toelaatbare opzocht en daar niet voor terugschrikte. Niet meer aarzelde. Fouten maakte, tot bij de ref moest komen.

‘Het gaat wel…’

Hij leek zijn zin niet af te maken. Ik probeerde zijn gezicht te lezen. Ontspannen, maar gefronste wenkbrauwen. Misschien blij. Misschien ouder.

Ik vulde zijn zin in gedachten aan: ‘Hard? Gaat het wel hard?’ 

Hij keek voor zich uit, of terug, de afgelopen maanden in. Reed met één hand, alsof zijn andere arm moe was. Zuchtte. Telde hij zijn zere plekken? Ik fietste onze zomer alvast tegemoet met zere dijen en rug. Het was wel goed geweest, dat leunen op de boarding, dat over en weer, ons gezinsleven opgesteld rond voetbal. We hadden vijf weken rust in het vooruitzicht, en een vakantie in Duitsland. Geen bal, dat was het plan. Mijn vrouw en ik hadden een provincie uitgezocht met meer water dan kortgeknipt gras, zonder stadion in de buurt dat een bezoek waard kon zijn. De Nike en Adidas shops in de steden, kwamen we er tegen, die namen we erbij. Even dan, nee, heel even, maar we kopen géén nieuwe schoenen. Geen lijnen, geen ouders, geen geschreeuw. Geen internet vond de dochter dan weer een brug te ver.

‘Wel,’ zei hij toen ik allang geen antwoord meer had verwacht. We fietsten doorheen de twee maïsvelden die we intussen al zo vaak tussen huis en voetbalplicht hadden doorkruist. Daar verdween de wereld even uit ons zicht. Alleen wij onder de hemel, weg voor ons, en achter ons. Bijna thuis.

‘Het gaat wel.’