Net wanneer de verjaardag van mijn vader nadert, die in 2012 overleed, lees ik in 'Motel Songs' van Auke Hulst hoe hij zich zijn vader probeert te herinneren.

Wat hij heeft zijn vooral andermans verhalen, allang niet meer te onderscheiden van fictie, en de kleine stukjes op papier die hij sprokkelt, lijken soms strohalmen, soms ankers. Hij was erg jong toen zijn vader overleed.

En er is muziek als overlev(er)ing, zoals die van Jeff Buckley, in het boek, en van Hulst zelf, zoals het bitterzoete My final skin, ook bij het boek.

Ik, daarentegen, heb tientallen zo niet honderden herinneringen, zo veel dat ik ervan duizel, en dat ik op zoek moet gaan naar wat ze bindt om te ontdekken wie hij echt was. Hij vertelde niet zo veel over zichzelf.

Hij wilde niet vaak op de foto, nee, sorry - hij staat niet zo vaak op foto's. Meer toeschouwer dan deelnemer. Ik heb geen foto van mijn vader en mij.

Dat was zijn vorm van bescheiden zijn, van eenvoud. Zijn afkeer van ijdelheid. Hij was hard voor zichzelf. Onzichtbare steen waarover ik soms struikel.

Mensen die hem kenden, vertellen me dat ik sterk op hem gelijk, meer dan vroeger. Vandaag maakt me dat trots, blij en droevig. We waren erg verschillend.

Meer tijd om samen te ontdekken wat we gemeen hadden, was welkom geweest.

Nu moet ik het ook met verhalen en fictie doen. Mijn fictie.