- Ik heb je boek gelezen. 

Het is zomer. Mams is op bezoek. Ze heeft bloemen en een fles wijn meegebracht, en koekjes voor haar kleinzonen om het einde van het schooljaar te vieren. Zo doet ze dat, tonen dat ze weet dat het een moeilijk jaar is geweest voor ons. 

- Dank je wel, mams. 

Ik snijd verder groenten. Luister. Wacht. 

- Er zijn stukjes die ik zou willen noteren, bijhouden. Zoals bovenop de kathedraal. Hoe zei je dat? Hoe je van zo hoog een afstand waarover je een uur zou doen tussen je duim en wijsvinger kunt houden. 

Mijn hart maakt een sprong.  

- Wat mooi dat je dat zegt.

Ik had datzelfde hart vastgehouden terwijl ik me inbeeldde hoe ze mijn boek las, thuis, alleen. Het zit er allemaal in. Hoe we papa verloren, dat ene telefoontje met het nieuws. Ver van elkaar, elk in een ander land, en immens verdriet dat ons plots verbond als nooit tevoren, elk gsm in de hand. De maanden die volgden, de jaren. Wat we zeiden en deden, wat onaf bleef. 

- Het is best wel therapeutisch. Ik bedoel: het is een therapeutisch boek. Ik moest wel zo schrijven. Dicht bij mezelf. 

Ik wilde sorry zeggen. 

- Dat begrijp ik. Maar dat merk je niet aan je boek. 

Ik roer in de potten. Kijk heel even op. Ze kijkt weg, door het raam, naar een ver land, naar een herinnering, misschien naar toen ik nog een kind was.

- Ik was ontroerd. Ik vind het mooi. Je kunt het. Je schrijft.  

Ik neem een slok wijn, word warm. Ik denk aan papa.